Drie transities in één beweging
Integrale benadering van de transities jeugdzorg, AWBZ en
arbeidsparticipatie
De komende twee jaren worden de gemeenten geconfronteerd
met drie grote decentralisaties. Delen van de AWBZ (begeleiding) worden overgeheveld
naar gemeenten, evenals de jeugdzorg (vanuit de provincie) en de uitvoering van
de nieuwe wet werken naar vermogen (WWnV). Nagenoeg
alle gemeenten zijn druk doende zich hierop voor te bereiden. Op tal van
plekken wordt nagedacht over de vraag hoe deze transities samenhangen en hoe de
uitvoering zo integraal mogelijk vorm kan krijgen.
Onze samenleving kenmerkt zich steeds meer door de hoge
mate van zelfbewustzijn waarmee burgers hun eigen behoeften onderkennen. Een
grote groep burgers is in toenemende mate in staat eigen oplossingen te vinden
voor de vraagstukken waarmee zij wordt geconfronteerd. Die vraagstukken hebben
tegelijkertijd aan complexiteit
gewonnen. En het appel dat de samenleving doet op de eigen kracht en de
eigen verantwoordelijkheid van haar burgers is bovendien sterker geworden. Al
met al kunnen we vaststellen dat veel burgers een royale regelruimte hebben om
inhoud te geven aan de eigen verantwoordelijkheid om beslissingen te nemen over
het eigen leven. Tegelijkertijd is er een kleine groep burgers die met een kluwen aan vraagstukken op
meerdere leefgebieden wordt geconfronteerd; volgens SCP cijfers gaat het om
circa 5% van de Nederlanders. De drie transities vinden plaats op de leefgebieden
waar deze groep burgers direct mee van doen heeft.
Mensen denken niet in schotten. Niemand van ons zal, als
hij of zij met een moeilijk kind te maken heeft, met vereenzaming, met terugvallen in de
bijstand, of met het moeten zoeken van aangepast werk, dat vraagstuk in een
door de samenleving bedacht hokje plaatsen. ‘Jeugdzorg’ is een beleidsterm en geen sociale werkelijkheid. Niemand van ons
zal in zijn eigen situatie de conclusie trekken dat hij behoefte heeft aan een
‘collectief arrangement’. Eerder zien we in onze dagelijkse werkelijkheid
alleen maar verbindingen en verwevenheden. Bijvoorbeeld: ‘als ik nu weer een
baan heb dan hebben we weer wat meer inkomen, kan ik nieuwe schoenen voor mijn
kinderen kopen, is mijn oudste ook weer even tevreden, gaat hij misschien wat
meer zijn best doen en loopt hij niet steeds weg. Dan wordt het weer wat
rustiger in huis en hebben we weer wat meer tijd voor mijn moeder. Dan komt
alles weer goed’.
Deze constatering
is leidend geweest voor het zoeken naar een geïntegreerde aanpak van de
drie grote decentralisaties die op ons af komen. Daar blijken geen grote en
simpele oplossingen voor te bestaan. Stade Advies ziet in haar praktijk vele
gemeenten met dit vraagstuk worstelen . Dat die integratie belangrijk is
onderschrijft men wel, maar wat betekent dat en hoe pak je dat aan?
Uitgangspunten
Allereerst is het van belang een aantal uitgangspunten te
formuleren. Simpele uitgangspunten die dwingend zijn voor zowel de gemeenten
(bestuurlijk en ambtelijk) als voor al de uitvoerings-organisaties
op het terrein van het zoeken naar werk en het leveren van bijdragen in zorg en
welzijn.
Stade Advies formuleert de navolgende:
·
een werkwijze die de scheidslijnen tussen de
transities slecht en de eigen kracht van burgers serieus neemt;
·
een intake die aansluit op wat bestaat: geen
nieuwe bureaucratie;
·
één toegang tot ondersteuning en/of voorzieningen
die vanzelfsprekend en natuurlijk is;
·
centrale administratieve ondersteuning;
·
één toegang op wijk, buurt- of dorpsgerichte
schaal waar mogelijk, regionaal waar noodzakelijk;
·
indicatiestelling voor alle vormen van intensieve
ondersteuning;
·
specifieke dienstverlening ook specifiek aan
bieden (verstrekkingen, uitkeringen).
In de kern van onze aanpak ziet Stade Advies een
model ontstaan dat we het T3 model noemen: drie transities, maar één beweging.
Eén beweging van zowel de gemeentelijke
aansturing, uitvoering en regie, van de wijze waarop in de uitvoering in het
publieke domein instellingen en organisaties hun rol in de maatschappelijke
ondersteuning invullen én burgers die op vermogen worden aangesproken. Die
beweging moet leiden tot een geïntegreerde
aanpak van de decentralisaties binnen de beschikbare budgetten
(want er komt minder geld mee ten behoeve van de uitvoering van deze
transities).
Het model T3
Stade Advies onderscheidt in het model vier stappen:
1.
Allereerst is een deugdelijke startfoto nodig:
wat is aanwezig op de terreinen van de drie transities (waarbij het goed
denkbaar is dat ook de ontwikkelingen rond passend onderwijs hierbij betrokken worden.
Sommigen spreken dan ook van vier transities).
2.
Het ontwikkelen van een uitvoeringsstructuur die
uitgaat van een gelijktijdige aanpak op alle drie de terreinen.
3.
Het ontwikkelen van proces en procedure van een
gezamenlijke intake en besluitvorming ten behoeve van alle vragen op deze drie
terreinen.
4.
Het leveren van een geïntegreerde ondersteuning
in de praktijk.
Daarbij is het van groot belang dat er één plek is waar burgers als vanzelfsprekend
binnenkomen met hun vragen op terreinen als opvoeding, werk en uitkering en
maatschappelijke participatie. Dichtbij,
voor de hand liggend en onomstreden . Zoals de huisarts altijd de eerste is
waar je naar toe gaat als je een probleem hebt op het terrein van je eigen gezondheid,
zo is er een plek waar je vanzelfsprekend naar toegaat als je vragen op het
terrein van je eigen (sociale) leven hebt.
Integrale intake
De werkwijze is geënt
op een geïntegreerde intake. Daartoe is een sociaal team beschikbaar.
Een team van professionals met kennis van zaken op de drie terreinen, maar
vooral ook met gezag. We gaan daarbij
uit van overheveling van belangrijke taken van de gemeente naar de uitvoering.
De intake verloopt langs een drietal lijnen:
·
de nuldelijn: eigen kracht van burgers, informele
netwerken en collectieve wijkarrangementen, maar ook rechtstreekse verwijzing
naar eenduidige voorzieningen (uitkeringen of WMO- verstrekkingen);
·
de eerste lijn: het sociaal gebiedsteam in buurt,
wijk, dorp of gemeente. Toeleiding naar zinvol werk en antwoorden op
sociaal-maatschappelijke problemen, schuldenproblematiek en
opvoedingsvraagstukken;
·
de tweede lijn: doorverwijzing naar
specialistische hulpverlening en diagnostiek bij gedragsproblemen (jeugdzorg),
langdurige arbeidsintegratie, gezinscoaching en
dagbesteding.
De intake heeft als kenmerk wat we het
ongelijkheidsbeginsel zouden willen noemen. De burger krijgt datgene, voor zo
ver mogelijk in samenspraak bepaald, dat
nodig is. De vraag en de eigen mogelijkheden zijn leidend. Het is daarnaast de
burger helder waarvoor hij wel en niet terecht kan bij de intake (niet voor
bezwaar en beroep, wel voor hulp, advies, re-integratie en ondersteuning). Er
wordt bij de intake gebruik gemaakt van de principes en het gespreksmodel van
de Kanteling.
Lokale inbedding
Samenhang ontstaat door logische en vanzelfsprekende
verbindingen met al bestaande voorzieningen en samenwerkingsverbanden. Een
voorzichtige variant bestaat uit het combineren van maatschappelijk werkers en
casemanagers, bijstand maatschappelijk werkers en zorgondersteuners in een
netwerk (vergelijk het Veiligheidshuis). Daar zou een meer intensieve
samenwerking tussen begeleiders van mensen met een beperking in
arbeidsparticipatie aan toegevoegd kunnen worden. Dat strookt echter niet met
het principe van ontbureaucratisering. Stade Advies
bepleit een variant met meer ambitie: dichtbij en herkenbaar een sociaal team
waar intake plaatsvindt. Integrale afwegingen op de diverse leefgebieden. Een
ondersteuning gericht op eigen kracht en informele netwerken en gebaseerd op
zichtbare maatschappelijke baat. Deze variant impliceert verregaande samensmelting van CJG, bestaande
loketten (WMO, arbeid en integratie, Veiligheidshuis, Jeugdgezondheidszorg
(bijvoorbeeld 0-4 jarigen zuigelingenzorg) en bestaande
verstrekkingenprocedures ( uitkeringen en voorzieningen). In het intaketeam is
ook plaats voor een sociaal makelaar die verbindingen legt tussen de intake en
de uitvoering.

Sociale
gebiedsteams en regievoering
Veel van wat op basis van een intake moet worden gedaan
(in elk geval in de eerste en de tweede lijn) wordt uitgevoerd door aangehaakte
instellingen en professionals. De sociaal werker in de intake is hier overigens
altijd nauw bij betrokken. Bij de uitvoering horen vanzelfsprekend mechanismes
als normeren (al dan niet via een benchmark) en afrekenen op basis van
resultaten. De uitvoerders zijn georganiseerd in sociale gebiedsteams van wie
dezelfde geïntegreerde werkwijze wordt verwacht als van het sociaal team in de
intake. De gemeente heeft daarbij een regierol. Die rol vervult de gemeente al
in belangrijke mate in het veld van welzijn en zorg. In het veld van de
uitvoering van de WWB (straks WWnV) zal dat deels
opnieuw moeten worden uitgevonden. Daarbij ziet Stade Advies de volgende
varianten:
·
de gemeente als beleidsregisseur
(uitvoeringsregie WWnV als semipublieke taak);
·
de gemeente als ketenregisseur (uitvoeringsregie WWnV als publieke taak);
·
de gemeente als netwerkmanager (realiseren van
werken naar vermogen zoveel mogelijk via reguliere werkgevers samen met de gemeente);
·
de gemeente als contractmanager (realiseren van WWnV primair bij reguliere werkgevers op basis van
prestatiecontract en faciliteiten).
Welke regierol ook gekozen wordt, in ons model
gaan we uit van externe uitvoering. Veel gemeenten kijken nu in dat verband
naar de WSW-bedrijven. Wij denken dat de WSW-bedrijven daar goed voor zijn
geëquipeerd, maar in de geïntegreerde benadering past het aanhaken aan het
sociaal team.
Op een aantal plekken in het land zien we al experimenten
met een meer geïntegreerde werkwijze
inzake arbeidsparticipatie tot stand komen. Twee voorbeelden:
De ‘Aan het werk’ aanpak:
·
een methode waarbij optimaal gebruik gemaakt
wordt van het probleemoplossend vermogen van de (lokale) samenleving door het
verhogen van maatschappelijke betrokkenheid via vrijwillige inzet in een pool
van werkambassadeurs en werkmakelaars;
·
verhogen Eigen Kracht van mensen die gebruik van WWnV via instrumentarium van de WMO;
·
gericht inzetten van loonwaarde instrumenten: wat
zijn de mogelijkheden van mensen!
‘Jobcarving’:
·
Jobcarving is de
Engelse term voor werk passend maken. Vanuit de wens om mensen en werk dichter
bij elkaar te brengen zijn meerdere
keuzes mogelijk. Binnen traditionele kaders gaat men uit van bestaande banen en
wordt aanpassing gezocht voor de specifieke handicap van de medewerker zoals
bijvoorbeeld het geschikt maken van de werkplek voor rolstoelgebruikers. De
andere gebruikelijke werkwijze is de omscholing van mensen of het toepassen van
speciale hulpmiddelen. Het zijn nooit de persoonlijke beperkingen, maar de
gevraagde prestaties, die het creëren van passend werk en een duurzame
arbeidsdeelname bepalen.
Herinrichting
lokaal systeem
Er vindt in dit model een belangrijke herverdeling van
het lokaal systeem plaats:
·
het oude ‘ sociale dienst model’ wordt verlaten. Er vindt deels omvorming tot
een specialistische unit plaats (voor uitkeringen) en het wordt deels onderdeel
van het sociaal team en de intake (voor arbeidstoeleiding en re-integratie);
·
het WMO-loket wordt deels omgevormd tot
specialistische unit (voor verstrekkingen) en het wordt deels onderdeel van het
sociaal team c.q. de intake;
·
gemeentelijke beleidsmedewerkers (op terreinen
als jeugdbeleid, welzijnsbeleid en zorg) vormen
onderdeel van het sociaal team;
·
ook professionals uit het welzijnswerk kunnen als
onderdeel van het sociaal team worden ingeschakeld;
·
andere uitvoeringsorganisaties kunnen worden
ingezet als aanbieder van individuele en collectieve arrangementen en als
uitvoerder van re-integratie en activering.
Sturingsprincipes kunnen worden gebaseerd op een
zogenaamd concessiemodel (bijvoorbeeld voor een periode van vier of acht jaar).
Dat leidt tot een uitgebalanceerd aanbod waarbij samenwerkingsgaranties zijn
ingebouwd. De financiering kan worden gebaseerd op het voorzieningengebruik en
op resultaat – en effectmetingen bij
burgers. Naast dit type concessies (die tot stand komen via vormen van
maatschappelijk aanbesteden) zou er ruimte moeten zijn voor zelfstandigen (zzp’ers) in de uitvoering van dienstverlening.
Routes
Het
werkproces laat zich niet in een paar woorden vangen. Per saldo stellen we ons
voor dat een burger met zijn vraag als vanzelfsprekend bij het sociaal team
terecht komt waar zijn of haar vraagstuk wordt beoordeeld en waar in
samenspraak naar een aanpak wordt gezocht. Het sociaal team heeft formele
doorzettingsmacht en kan een verplichtende aanpak vaststellen afhankelijk van
de aard van de vraag. Voor specialistische ondersteuning of afhandeling zijn er
specialistische units beschikbaar (ten behoeve van vaststelling uitkering en/of
verstrekkingen) dan wel is specifieke ondersteuning van buiten beschikbaar
(bijvoorbeeld diagnostiek of specifieke vormen van begeleiding van een MEE-organisatie).
Naarmate de complexiteit van een vraag toeneemt, vindt een verschuiving plaats
van het stimuleren van informele netwerken naar collectieve arrangementen en
tenslotte zwaardere professionele ondersteuning.
Kernvragen
Er zijn natuurlijk vraagstukken waar in dit model nog
oplossingen voor gevonden moeten worden. Denk aan de formele mandatering van een sociaal team, denk aan de opleidingen
voor de nieuwe sociaal werker, denk aan de financiering van complexe
ondersteuningstrajecten (waar nu nog verschillende financieringsstromen aan ten
grondslag liggen). Ook andere invoeringsvragen zijn nog volop aan de orde. Op
het terrein van jeugdzorg en jeugdbeleid functioneert momenteel het CJG. In het
kader van de transitie jeugdzorg zal een verschuiving gaan plaatsvinden. Stade
Advies pleit ook hierbij voor één beweging. Ondanks de vele vragen die
nog te stellen en te beantwoorden zijn,
ziet Stade Advies deze transities als
een geweldige kans voor gemeenten en lokale uitvoeringsorganisaties. Het biedt
de mogelijkheid weg te geraken van de eigen bestaansvragen en bezig te zijn met
de kernvragen. Samenvattend zouden we die als volgt kunnen weergeven:
Voor de burger: Hoe
ga ik naar vermogen bijdragen?
Voor het sociaal team: Wat is daarvoor nodig?
Voor uitvoerders: Wat
heeft u nodig, hoe lang, wie gaat dat
leveren?
Voor een gemeente: Hoe regisseren en faciliteren we dit?
Reageren?
De integrale benadering van Stade Advies van de 3
transities evolueert dagelijks. Wij stellen alle vragen en elk commentaar op
prijs. Daarmee helpen we elkaar bij de gedachtenvorming over dit uitdagende
vraagstuk. Uiteraard zijn wij ook graag bereid om met u mee te denken over
oplossingen op maat. Bel of mail ons:
Johan Kruithof, partner en senior adviseur j.kruithof@stade.nl t.
06 - 53215138
Johan Vermeulen,
senior adviseur j.vermeulen@stade.nl t.
06 - 22404910
Nico Kersten,
partner en senior adviseur: n.kersten@stade.nl t.
06 - 46070761
Erik Vermathen,
partner en directeur e.vermathen@stade.nl t.
06 - 10939404
Op de hoogte
blijven?
Wilt u op de hoogte blijven, klik dan hier
Klik hier voor een PDF versie van dit artikel
Klik hier voor een
toelichting op het T3 model
© Stade Advies
22 november 2011